“Ik voel me eerder niemand”

DIS voelt voor mij niet (meer) als het “zijn van meerdere personen”. Ik voel me eerder niemand.

Voordat de diagnose DIS bij mij werd gesteld, was ik me al wel redelijk bewust van de meerdere delen die zich binnen mijzelf bevonden. Deze delen voelden echter niet alsof ze een variant van “mijzelf” waren. Stemmen in je hoofd, sensaties die aanvoelen als een soort bezitting, gesprekken met mensen die je zelf niet meer kunt herinneren, dreigende briefjes en dagboekfragmenten aan jouzelf gericht, ondertekend met andere namen—het is lastig om dat soort ervaringen te zien als “ik”, ook al weet je rationeel dat het wel zo is. Het voelde als een soort “ik versus hen”, ik tegen de stemmen in mijn hoofd en de onzichtbare boemannen die uren uit mijn dagen opslokten en mij ervan probeerden te overtuigen om mezelf wat aan te doen.

Het was niet mijn bedoeling om aan mijn psycholoog toe te geven dat ik worstelde met deze symptomen. Ik kan me heel eerlijk gezegd ook niet goed meer herinneren hoe het precies tot stand is gekomen, maar ik was daar in de eerste instantie voor mijn (eerder gestelde diagnose van) PTSS en ik zal bij de intake vast iets hebben benoemd qua dissociatieve klachten. Bij het afnemen van de DIS-Q vragenlijst tijdens één van onze eerste sessies kwam de aap onverwacht uit de mouw. Deze vragenlijst bevatte vragen over verschillende ervaringen zoals “soms voelt het alsof ik iemand anders ben”, “soms weet ik niet wie ik ben”, “soms voelt het alsof mijn lichaam los van mezelf handelt en voor mij bepaalt wat ik doe”, zoiets. Ik weet nog dat ik heel bewust aan het overwegen was of ik eerlijk antwoord zou geven of zou liegen. Ik heb toen besloten om het eerste te doen. Mijn psycholoog “schrok” duidelijk van mijn antwoorden en vroeg steeds om toelichtingen, maar die kon ik niet geven. Halverwege de vragenlijst vluchtte ik naar de wc om hardop tegen de stemmen in mijn hoofd te zeggen dat ze hun kop moesten houden en dat ik helemaal niet van plan was om hier eerlijk over te zijn.

Het heeft mij zo’n 2 à 3 maanden geduurd voordat ik samen met mijn psycholoog genoeg informatie had verzameld over mijn klachten en ervaringen om extern een diagnostisch traject aan te gaan en ik heb meerdere keren overwogen om te stoppen met therapie. Ik durfde nooit verbaal over mijn symptomen te praten en de communicatie verliep voornamelijk via schriftelijke communicatie vanaf mijn kant. Aan het eind van elke sessie stelde hij mij een paar vragen, waarover ik vervolgens thuis in mijn therapiedagboek schreef. Tijdens de volgende sessie las hij wat ik had geschreven en stelde vragen. Ik gaf weinig antwoord en hij heeft me een paar keer moeten stimuleren tot het geven van toelichtingen.

Er waren veel angsten rondom het diagnostisch traject – angst om niet geloofd te worden (want ik geloofde mijzelf niet eens), angst dat een diagnose het “echt” zou maken, angst dat alles erger zou worden. In de eerste instantie was de diagnose AGDS gesteld i.v.m. onvoldoende informatie, maar na aanvullingen vanuit mijn eigen psycholoog was deze binnen een maand of twee veranderd naar DIS.

Samen met dit nieuwe labeltje kwam ook een verandering in hoe ik keek naar mezelf en de meerdere delen. In plaats van dat het enkel voelde alsof er “anderen” waren die zich tegen mij keerden, kwam nu ook de beleving dat ik zelf eigenlijk helemaal niemand was. Er was geen “ik” en die was er ook nooit geweest. Zelfs binnen het deel dat ik ervaar als “mijzelf” zijn er zoveel fluctuaties dat ik niet weet waar de ene versie ophoudt en de volgende begint. Door het teruglezen van oudere pagina’s uit mijn therapiedagboeken en het terughalen van oudere sessies, kwam ik erachter dat ik steeds dezelfde connecties legde en openbaringen en herinneringen steeds opnieuw “voor het eerst” ontdekte.

DIS is een erg verwarrende stoornis en ik heb nog steeds zo veel te leren. Ik probeer echter zo optimistisch mogelijk te blijven en erin te vertrouwen dat ik ooit, in de (verre) toekomst, een stabieler en gelukkiger persoon zal zijn.